In de therapeutenkamer kun je allerlei gedrag verwachten van mensen. Dat maakt het werk afwisselend, nooit saai en uitdagend.
Mensen kunnen met dezelfde problemen binnen komen, maar toch totaal ander gedrag vertonen. De meest voorkomende problemen die ik zie bij cliënten, meestal allemaal tegelijk:
-Zichzelf emotioneel niet kunnen beheersen
-De gevoelens van de partner niet serieus nemen of niet voldoende ruimte geven om deze te uiten
-Onvoldoende naar hun eigen gedrag en beschermingsmechanisme willen kijken
De redenen hiervoor zijn verschillend, afhankelijk van de achtergrond en het karakter van de persoon.
Iemand die zichzelf emotioneel niet kan beheersen heeft vaak vroeger niet geleerd hoe ze op een gezonde manier met emoties kunnen dealen.
Emoties mochten er niet zijn of hun ouders lieten ze nooit zien. Soms werden emoties zelfs afgestraft of genegeerd, waardoor ze zich als kind raar of alleen hebben gevoeld. Heel vaak zeggen ze: “Ik heb er niks aan overgehouden hoor, mijn ouders hebben ook hun best gedaan.”
Deels is deze uitspraak waar. Hun ouders deden inderdaad hun best, zeker als je ziet waar zij vandaan kwamen. Deels is de uitspraak niet waar. Ze hebben er wel iets aan overgehouden, namelijk dat de emoties hen overnemen als spanning hoog oploopt. Ze reageren impulsief en heftig en geven de partner er de schuld van dat die dit in hen oproept.
Iemand die de gevoelens van de partner niet serieus neemt of niet voldoende ruimte geeft om zich te uiten is vaak een snelle denker.
Een doorpakker. Een regelaar. Hun brein is al tien stappen verder dan die van hun partner. “Zeg nou gewoon waarom je dit doet. Praat nou gewoon. Zeg iets. Waarom kun je geen antwoord geven op mijn vraag? Het is toch simpel? Zie je, je wilt het gewoon niet. Ik ben de enige die moeite doet voor onze relatie. Je kunt tegen mij toch alles zeggen?” De frustratie stijgt naar grote hoogten, want hun partner wordt steeds stiller en ze begrijpen niet waarom.
Dan de cliënten die niet naar hun eigen gedrag en beschermingsmechanisme willen kijken.
Dit zijn mensen die de onderliggende angst hebben om het fout te doen. Hun pijnpunt, hun trigger is: “Ik doe het niet goed.” En het vervelende is dat het brein dit vaak automatisch vertaalt naar: “Ik ben niet goed.” Tja, natuurlijk willen deze mensen niet naar hun eigen gedrag kijken. Dat is heel oncomfortabel, want daarmee activeren ze hun eigen angst.
Er is weinig dat ik in mijn praktijkruimte nog niet heb gezien en ik ken ondertussen de verschillende afleidingsmanoeuvres die cliënten maken om hun gedrag in stand te houden.
Deze afleidingen voelen soms voor mij ongemakkelijk, maar voor de cliënt ook.
Ik geef je er drie. Nummer drie komt het minst voor, maar is wel de meest verrassende.
1. Grapjes maken als het serieus wordt.
De lolbroek uithangen is gezellig en kan dingen luchtig houden. Ik hou ook van zelfspot en humor, zelfs zwarte humor. Heerlijk. Humor was waarschijnlijk hun manier om vroeger om de gaan met ongemakkelijkheid. De clown spelen om de harmonie in huis terug te brengen of om zelf niet te hoeven voelen. Ik begrijp de strategie en lach dus ook even mee, maar dan zeg ik: “Oke, maar even serieus: wat voel je nou echt, wat je nu steeds probeert te verdoezelen onder humor?”
2. Defensief worden naar de therapeut.
Dit komt vaak voor. Logisch, want ik ben degene die prikt. Die hun gedrag ter discussie stelt. Die soms even advocaat van de duivel speelt om te zien wat dat losmaakt. Als ik suggereer dat ze misschien een beetje gemakzuchtig, slachtofferig, dominant of dramatisch doen… oeh… als blikken konden doden. Pijnpunt geraakt, dat is duidelijk. En ze reageren dan vaak niet van ‘oh, interessant, er gebeurt nu iets in mij, laten we onderzoeken wat dit is’. Nee, het is meer van ‘ga je nu zeggen dat het MIJN schuld is??’
Het kan soms lastig zijn om dit brandje weer te blussen, want ik heb de cliënt getriggerd en hiermee het reptielenbrein van de cliënt aangezet. De ratio werkt maar voor een klein stukje en soms kunnen ze me letterlijk niet horen als ik zeg dat ik nergens insinueer dat het hun schuld is.
3. Niet mee willen werken aan een oefening.
Zoals ik al zei, dit komt niet vaak voor. Maar het is ongemakkelijk. Voor henzelf en voor hun partner, die wel bereid is om het te doen. Als het gebeurt, gebeurt het meestal bij de oefening wanneer ik ze tegenover elkaar op stoelen laat zitten en ze vraag elkaar even aan te kijken zonder woorden. Let op: ik vraag ze elkaar aan te kijken zonder iets te zeggen of te doen. Dat is alles. De rest van de oefening weten ze nog niet eens. Maar er wordt gefriemeld met de handen, gerold met de ogen, weggekeken, gewiebeld op de stoel, de armen en benen gaan over elkaar en binnen tien seconden komt eruit: “Ja, ik kan dit niet hoor. Dit is niks voor mij. Ik kan dit niet. Ik vind dit zo raar!” Ze willen er zo snel mogelijk vanaf zijn.
En hier ligt het goud, dat ik natuurlijk niet kan laten liggen. Want hoe interessant is het, dat iemand het niet kan opbrengen om een minuut in de ogen te kijken van degene van wie ze houden zonder in de actie te willen schieten?
Ik raad je aan om dit meteen vandaag te proberen en te voelen:
‘Wat doet dit met mij? Hoe fijn of oncomfortabel is het? En als het oncomfortabel is, welke onrust komt dan omhoog?’
De valkuil is meteen stoppen omdat je niet kunt dealen met de onrust.
Neem van mij aan dat als jij WEL kunt dealen met onrust en emotie in je lijf zonder dit meteen te moeten weglachen, wegpoetsen of vermijden, dat je een veiligere, betrouwbaardere, stabielere partner wordt en bijna al je relatieproblemen opgelost kunnen worden.
Geloof je me niet?
Kom maar eens langs, dan oefenen we samen.
Wat deze 10 partners je kunnen leren
De therapeut geeft mij de schuld
Boos zijn is geen excuus om kapot te maken wat je liefhebt.