“Ik voel sferen en emoties van iedereen aan. Mensen komen altijd naar mij om hun problemen te vertellen.”
Het lijkt of ze er trots op zijn om een empaat te zijn. Feilloos aanvoelen wat er speelt, altijd weten wanneer iemand zich niet goed voelt. Wat een gave is dat eigenlijk.
Maar hier is de vraag die bijna niemand stelt: hoe voel jij je daarbij?
Want de meeste mensen die zichzelf empaat noemen, voelen zich chronisch moe. Overprikkeld na een vergadering. Leeg na een gewone verjaardag. Uitgewrongen na een avondje uit. Schuldig als ze een keer nee zeggen. Altijd bezig met de emoties van anderen. En waarom zijn dat altijd negatieve emoties die je overneemt van anderen? Verdriet. Boosheid. Eenzaamheid. Nooit eens tevredenheid. Verlangen. Dankbaarheid. Puur geluk.
Dat past toch niet bij het beeld van een gave? Dat past bij iets anders: een lijf dat nooit heeft geleerd om uit te schakelen.
Empathie als gave versus empathie als overlevingsmechanisme
Er is een groot verschil tussen mensen die met liefde en aandacht meevoelen met een ander, en mensen die dat doen omdat ze het vroeger moesten. Het eerste voelt als warmte die je geeft, zonder dat het je iets kost. Het tweede voelt als een radar die nooit uitgaat, ook niet als je het zelf zou willen.
Als je bent opgegroeid in een gezin waar de sfeer kon omslaan zonder waarschuwing, waar je moest aanvoelen of pappa een goede of een slechte dag had, dan heb je iets geleerd, namelijk: de stemming van de ander is belangrijk voor de veiligheid in huis. Jouw antenne meet of het moment geschikt is om iets te vragen of dat je beter stilletjes naar je kamer kunt gaan. Je redt de sfeer door meteen klaar te staan als er iets nodig is of door je zusjes met een smoes de kamer uit te begeleiden. Altijd op eieren lopen, aanvoelen, bijsturen, voordat het misgaat.
Dat is geen gave. Dat is een kind dat een baan kreeg die niet bij haar leeftijd paste.
Dit verdwijnt niet als je volwassen wordt. Het systeem dat je als kind ontwikkelde om veilig te blijven, blijft actief. Alleen is er niemand meer die je vertelt dat het niet meer nodig is. Dus blijf je scannen. In een vergadering voel je feilloos aan wie zich ongemakkelijk voelt. Op een verjaardag zie je binnen vijf minuten wie zich buitengesloten voelt. In je relatie merk je een verschuiving in de stem van je partner voordat hij of zij zelf doorheeft dat er iets speelt.
Dat klinkt indrukwekkend. Maar het kost je iets, elke keer weer. Want als je continu de emoties van anderen aanvoelt, blijft er weinig ruimte over voor die van jezelf. Je raakt zo gewend aan het aanvoelen van de ander, dat je vergeet aan jezelf te vragen: en hoe voel ík me eigenlijk?
Dat is de reden waarom zoveel empaten zich zelden echt goed voelen. Niet omdat ze te veel voelen, maar omdat ze zichzelf voortdurend wegcijferen om de sfeer voor een ander draaglijk te houden. Dat is uitputtend.
Wat je doet, heet fawning.
We kennen vier bekende overlevingsstrategieën: vechten, vluchten, bevriezen, en de minst bekende — vleien, ook wel “fawning” genoemd. Fawning betekent: jezelf klein maken, aanpassen, en de behoeften van de ander boven die van jezelf zetten, om conflict of afwijzing te voorkomen. Een kind dat leert de sfeer te redden, ontwikkelt precies deze strategie. Niet omdat het lief van aard is, maar omdat het de veiligste manier bleek om erbij te blijven horen.
Volwassen empaten zijn vaak volwassen geworden fawn-kinderen. Ze zijn ontzettend goed geworden in het aanvoelen van anderen, omdat hun veiligheid daarvan afhing. En dat zorgt voor iets pijnlijks: de eigenschap waar ze om geprezen worden — “wat ben jij toch lief en invoelend” — is precies het litteken van een jeugd waarin ze zichzelf moesten wegcijferen om veilig te blijven.
Wat de gevolgen zijn van fawning voor je relatie nu
Als je dit patroon meeneemt in je relatie, ontstaat er een ongelijke dynamiek. Jij voelt continu aan wat je partner nodig heeft, past je aan, redt de sfeer. Maar wie voelt aan wat jíj nodig hebt? Vaak niemand, want je hebt nooit geleerd om dat zelf duidelijk te maken. Je wacht tot iemand het aanvoelt, precies zoals jij het altijd voor een ander deed. En als dat niet gebeurt, voel je je onbegrepen, of erger: onzichtbaar. En gek genoeg maakt dat je dan ook boos, dat niemand jouw behoeften aanvoelt.
Dit kan zelfs een valkuil worden in de partnerkeuze. Empaten trekken nogal eens partners aan die zelf minder gevoelig zijn voor wat er speelt, omdat dat een vertrouwd patroon voelt — jij regelt de emotionele temperatuur, precies zoals vroeger. Vertrouwd voelt veilig, ook als het je uitput.
Van empaat naar jezelf terugvinden
De weg hieruit begint niet met stoppen met invoelend zijn. Dat is niet realistisch, en ook niet nodig. De weg begint met het onderscheid leren maken tussen voelen wat er bij een ander speelt, en de verantwoordelijkheid voelen om dat op te lossen. Dat zijn twee heel verschillende dingen, die bij een fawn-patroon volledig door elkaar zijn gaan lopen. Je kunt niet voorkomen dat je die emotie van de ander voelt, maar je kunt jezelf wel ontslaan van de verantwoordelijkheid om daar iets mee te doen. De emotie van de ander is de verantwoordelijkheid van de ander.
Maar hoe doe je dat?
Het begint met kleine, ongemakkelijke oefeningen: een stilte laten vallen zonder die op te vullen. Een sfeer laten zijn zoals die is, zonder meteen bij te sturen. Jezelf de vraag stellen “wat wil ík hier eigenlijk?,” voordat je automatisch in gaat vullen wat de ander wil. Dat voelt in het begin oncomfortabel, misschien zelfs egoïstisch. Maar het is de eerste stap naar een lijf dat niet meer permanent op scherp staat.
Meer interessante blogs:
Fawning: de vierde traumareactie
Wat is jouw overlevingsstrategie?